beschouwing bij tentoonstelling 'stapstenen tijd'

Initiatie of inwijding wil - volgens mijn bescheiden mening - zeggen: een kandidaat geleidelijk, maar diepgaand en irreversibel inleiden in een denk- en levensvorm, waarvan de zin door de kandidaat gewenst en vermoed, maar nog niet beleefd wordt.

Zo vergaat het u vandaag.  U bent naar hier gekomen omdat u met de samensteller van deze installatie min of meer bekend bent, omdat uw aandacht bij het kennisnemen van de uitnodiging gestimuleerd werd, omdat uw zaterdag geen ander culturele activiteit te bieden gaf, omdat geen zon u naar de kust dreef.  Kortom u staat hier om allerlei uiteenlopende redenen; maar één motief verbindt u en mij allemaal: u wil deze tijdelijke wereld begrijpen.

Hier kom ik in beeld.  De maker van deze tentoonstelling heeft zijn werk afgeleverd en heeft u zo-even al een blik gegund onder zijn schedeldak.  Ik weet het natuurlijk niet beter dan hij die het werk maakte, ik kan u enkel even figuurlijk bij de hand nemen en u mijn eigen inwijding voorleggen, in de hoop dat ze uw eigen initiatie losmaakt.

Dames en heren, wij bevinden ons hier in een tempel, een niet meer in sacraal gebruik verkerend kerkgebouw, dat evenwel in al zijn details herinnert aan zijn voormalige functie.  Robert Vollekindt houdt van deze architectuur die, precies omdat ze een kloof markeert tussen eensdeels haar voormalige functie en betekenis, en anderdeels haar huidige functie als artistieke ruimte, een specifieke invulling vereist.  Vollekindt heeft geen bestaand werk naar hier gebracht omdat deze ruimte toevallig vrij was en hij er de beschikking over kreeg; maar hij heeft, met respect voor het verleden, zijn eigen nog niet gecreëerde werk bedacht, en van a tot z uitgevoerd, met het oof op de tijdelijke plaatsing in dit gebouw - en geen ander.  Dit gebouw, ik zei het al, is een kapel.  Ze ligt op een kunstmatige heuvel (of is het een getuigeheuvel ontstaan door denudatie van een tafelland?), die de bezoeker moet beklimmen, tijdens welke klimpartij hij langs dode zielen wordt geloodst.  Het kerkhof, of de dodenakker, is, in alle beschavingen, maar vooral in de Indiase, een uitverkoren meditatieplek.  De dood, als mysterie, is namelijk onoplosbaar voor het logisch denkend verstand.  Als oermysterie staat het aan het begin van elke initiatie.  De geboorte zelf, als eerste rite de passage, valt nagenoeg samen met de laatste overgang, die van de dood.  Het onduidelijke, schimmig fibrillerende en dus gevaarlijke tussengebied, dat de Tibetanen het bardo noemen, bepaalt de kwaliteit van het volgende leven of - in het beste geval - schrapt voor de jonge dode elk volgende leven, omdat hij of zij tot volle realistie van het mysterie is gekomen.

Aangezien ook Robert Vollekindt nog niet zover op dat pad van de zelfverlossing is gevorderd, heeft hij zijn korte klimpartij langs het Campo Santo, of de dodenakker, afgesloten met vlaggen die, in zijn visie, de goede boodschap (eù-angèlion) verkondigen: dat er leven is na de dood of, redelijker gezegd, dat leven en dood twee facetten zijn van hetzelfde bestaansmysterie.  De vlaggen zijn fotografisch bedrukt, niet somber als in de overdrachtelijke zin van "bedrukt", maar letterlijk bedrukt: met beelden van het ander, nieuw, maar per se nog schimmig leven.  Zo betreedt de inwijdeling - u en ik - de kerkkapel.  Vanouds, waar vooral vanaf de Middeleeuwen, is de kathedraal of de kerk een voorafspiegeling van de hemel.  Dat wil zeggen: van het opperste leven dat, omdat onze voorouders en wijzelf maar aardbewoners zijn, op aardse wijze wordt voorgesteld.  Achteraan in de kerk staat steevast het baptisterium.  De doopvont symboliseert de feitelijke intrede in de mogelijkheid van het ware, opperste leven.  Naakt werd de kandidaat volledig in het levengevende water ondergedompeld om zijn onbesmette zuiverheid te onderstrepen.  Vollekindt actualiseert dit oergegeven door het (hier afwezige) baptisterium te vervangen door een naakte jonge vrouw in een tunnel van wit geilterd licht te laten aantreden.  Haar spirituele ommekeer - wat de Duitsers heeld beeldrijk de Kehre noemen - maakt de fotograaf duidelijk door haar eerst langs achteren en vervolgens langs voren te 'nemen', ook, indien de bezoeker dat wenst, in erotische betekenis.

Inmiddels is de smeekbede van het kyriue eleison achter de voorhang met zijn wakende cementfiguur, half demon half engel, enigzins weggestorven.  De inwijdeling heeft ook de aanmaning, in de vorm van een vijfvoudige meditatrice, begrepen, en werpt nu een eerste blik in de hoge ruimte.  Links en rechts hangen verstilde, gespoorde afbeeldingen, niet zozeer Vollekindts fotografische actualiseringen van een via crucis, dan wel zijn suggestieve levensvoorstellingen - liefst in drieluik, uit eerbied en bewondering voor de triptieken van zijn illustere vijftiende-eeuwse voorgangers, de Vlaamse meesters die men primitief blijft noemen.

De 'stapstenen' van de tentoonstellingstitel dragen de sporen van Vollekindts meditatief dichtwerk, terwijl de voet, die ongetwijfeld al vele stapstenen drukte, zijn zool toont - zoals de zich langs de stapstenen op de weg naar Golgotha slepende Jezus zijn bebloede gezicht toont aan een van zijn geliefde vrouwen.  De verlosser, driewerf vallend onder zijn marteling, was op weg naar zijn dood; de anonieme voet die Vollekindt iconiseert wijst eveneens op een val, maar laat evenzeer een getormenteerd patroon zien van een weg die leidt naar heviger, bewuster leven.

Een drieluik toont, centraal en frontaal, een jonge vrouw met doek.  Ze wordt geflankeerd door de schimmige, gelig ingekleurde contourlijn van Vollekindts profetische kop - die wel bijzonder hevig contrasteert met het middeleeuws aandoende, vlezige gezicht van de tweemaal gefotografeerde man die de inwijdeling, aards en nors nog, heeft begroet bij het betreden van het kapelschip.

En zie, nu buigt de tot heviger leven ontwakende inwijdeling zich over de spiegel.  Hij ziet zichzelf.  Wie is hij?  Een beeld slechts zonder vlees - elk spiegelbeeld is immers illusie, een demonische voorspiegeling van valse waarachtigheid -, met boven en achter zich een sfinxachtige, hiëratische hominoïde met rechthoekige kop, doorboord met één grote, roestige spijker die is gekluisterd aan een eveneens roestige ketting, een roodbruin bloedspoor trekkende op de cementhuid.  Men hoort met het innerlijke oor nog de bulderende donderpreek van de tot inkeer oproepende missiepredikant van weleer in een verre echo;  Vollekindts gewetenswekker daarentegen zwijgt: immers, de stem van het geweten knaagt onhoorbaar voor het lichamelijk oor.

De inwijdeling kijkt op en ziet nu een plaggen hut, een onindringbaar zweethuis, een patagonische kapel waar de eeuwige wind rond raast; zijn oog ontdekt de sporen van foetaal leven, in endogeen mystieke verbondenheid met het gezwollen lichaam van de vruchtdragende vrouw die, in haar gestalte, het leem vervlecht waaruit de altijd nieuwe mens wordt geschapen.  Iets verder ligt hij, de onwetende boreling, verzadigd van het zuigen, in een bad van zwart te slapen.

Vreugde is nakend!  De kus, die de schaduwvrouw van de wapperende vlag voor de kapelpoort heeft gedrukt op de mand van haar onstoffelijk spiegelbeeld, de kus was al het eerste vreugdeteken!  Maar ook nog een aanwijzing van een melancholie, zoals in de etherische potloodtekening die Fernand Khnopff maakte voor zijn schrijvende broeder Grégoire Le Roy: Mon coeur pleure d'autrefois.  In een drieluik - dat ik het topwerk van deze expositie wil noemen - toont Vollekindt opnieuw het gezicht van zijn jonge model in de drie fasen, die 's mensen omgang met het heilige kenmerken: in het middenpaneel het gezicht van dichtbij en gevat in een cirkelvorm, met eyses wide open; links de verbijstering (wat men vroeger wel de 'vreze Gods' placht te noemen); rechts de schreeuw, als hedendaagse echo van Jobs revolte.

De inwijdeling herademt.  Hij blikt terug op de witte, doorzichte vezeldoek, die de smetten van de grond liefdevol onderdrukt, die het ploegen van het kerkschip door de zee van de mideenbeuk oproept, en die de opgang naar het altaar lichtend aanwijst.  Waar in de initiatie staat zij of hij nu?  In of buiten de tijd?  Zij en hij kijken naar huns gelijken: de naakte mensjes die, onooglijk geworden, zich hebben gedrukt in Joseph Cornellachtige houten kistjes die hun ikjes en hun pikjes doen verschrompelen tot tekens aan de wand.

Elk mens is een veld van heiligheid, al is dat lang niet vanzelfsprekend, zichtbaar gemanifesteerd.  Maar als zij of hij naakt uit de onwetendheid in de onverborgenheid kan treden, ervaart zij of hij de sacraliteit in zichzelf - juist niet in haar of zijn ik, maar in de leegte, verlost van haar of zijn geestelijke ballast.

Daarom leidt de fotograaf, beeldenmaker, installateur, dichter Robert Vollekindt ons, na een decennium tentoonstellingen, in deze stapstenen tijd, naar een epifanie.  De openbaring voltrekt zich, dwars door de lege ruimte van dit Campo Santo, richting sanctum sanctorum.  Maar zie: het tabernakel staat open!  God mag dan dood en afwezig zijn; maar voor wie weet blijft het allerheiligste de scheppende leegte van het innerlijk.

Frans Boenders

20 maart 2004

fotoalbum stapstenen tijd